Ondernemingskamer kan arbitrage overrulen

Indien tussen partijen geldig arbitrage is overeengekomen, is de ‘normale’ overheidsrechter in principe verplicht zich onbevoegd te verklaren. Uit een onlangs gepubliceerde uitspraak blijkt deze verplichting niet zonder meer voor de Ondernemingskamer te gelden. Advocaat ondernemingsrecht Martijn Kesler legt uit.

Partijen verkeren in patstelling
Aandeelhouder A en Aandeelhouder B, die elk 50% van de aandelen bezitten, exploiteren via de vennootschap een bekend Amsterdams eetcafé. Aandeelhouder A is tevens bestuurder van de vennootschap. Vanaf 2011 kunnen beide aandeelhouders niet meer met elkaar door één deur. Besluiten in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders worden moedwillig geblokkeerd waardoor partijen als gevolg daarvan in een patstelling terecht zijn gekomen.

Geschillen eerst aan mediator voorgelegd
In zowel de statuten als de aandeelhoudersovereenkomst waren aandeelhouder A en aandeelhouder B overeen gekomen dat geschillen eerst aan een mediator moesten worden voorgelegd en indien dat geen uitkomst bood het geschil door één of meer arbiters zou worden beslecht. Normaal gesproken, behoudens uitzonderingen, dient elke overheidsrechter zich onbevoegd te verklaren. Aangezien de Ondernemingskamer ook tot de overheidsrechters behoort, zou dit ook voor de Ondernemingskamer behoren te gelden.

Onderzoek naar beleid binnen vennootschap
Desalniettemin besliste aandeelhouder A zich te wenden tot de Ondernemingskamer en verzocht de Ondernemingskamer één of meer aandelen van Aandeelhouder B – zodat Aandeelhouder A een meerderheid verkrijgt – ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen persoon en een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap.

Mediation en arbitrage overeengekomen
Het verweer van de wederpartij was echter primair dat de Ondernemingskamer zich onbevoegd diende te verklaren. Er was immers door beide partijen in de statuten en in de aandeelhoudersovereenkomst mediation en arbitrage overeengekomen.

Arbitraal beding kan Ondernemingskamer niet hinderen
De Ondernemingskamer verwierp dit betoog en stelde dat de aan de Ondernemingskamer toegekende bevoegdheden, die voortvloeien uit art. 2:344 – 2:359 BW, niet kunnen worden overgedragen aan een arbiter aangezien deze bevoegdheden rechtstreeks kunnen ingrijpen in de zogenoemde ‘vennootschappelijke orde’. Hierbij kan worden gedacht aan het treffen van voorlopige voorzieningen, het schorsen danwel vernietigen van besluiten of ontbinden van de rechtspersoon. Aangezien deze bevoegdheden behoren tot het exclusieve domein van de Ondernemingskamer kan een arbitraal beding de toegang tot de Ondernemingskamer nimmer verhinderen, zo redeneert de Ondernemingskamer.

Strookt het met gedachte achter enqueterecht?
In de literatuur is beargumenteerd dat het niet ondenkbaar is dat arbiters nagenoeg dezelfde bevoegdheden kunnen worden toegekend als de bevoegdheden die de Ondernemingskamer op grond van de wet toekomt. De vraag is echter of dit strookt met de gedachte achter het enquêterecht. Een arbitraal beding moet immers specifiek en expliciet worden overeengekomen waardoor partijen zichzelf daaraan verbinden.

Twee instanties buigen zich over rechtsvraag
Aangezien een ruime groep van stakeholders op grond van de wet de toegang tot de Ondernemingskamer wordt geboden kan een gang naar de Ondernemingskamer nimmer geheel weg gecontracteerd worden. De mogelijkheid blijft hierdoor bestaan dat twee verschillende rechtsinstanties zich over eenzelfde rechtsvraag kunnen buigen. Dit lijkt geen wenselijke uitkomst en zorgt voor rechtsonzekerheid.

Martijn Kesler

Martijn Kesler

Sinds 2013 ben ik als advocaat werkzaam bij AMS Advocaten in Amsterdam en werkzaam op het gebied van het ondernemingsrecht, het insolventierecht, het verbintenissenrecht en incasso.
Martijn Kesler
Martijn Kesler

Reageer

Wees de eerste met een reactie

Ontvang alerts
avatar
SLUIT
CLOSE