Concurrent vangt bot in kort geding over vergunning horeca

Een horecaondernemer die binnen enkele maanden zijn nieuwe project zal afronden, wilde voorkomen dat tegelijkertijd een paar deuren verder een winkel eveneens tot horecazaak zou worden verbouwd. Hoewel het besluit tot verlening van de vergunning voor die tweede zaak volgens de rechter rammelt, grijpt de eerstgenoemde ondernemer toch mis. Hoe is dat mogelijk?

Bovenstaande titel bevat wat termen die vanuit juridisch oogpunt niet helemaal juist zijn, maar wel de kern van de zaak beschrijven. Een bestuursrechtelijk kort geding heet een voorlopige voorzieningprocedure en daarover gaat de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2015.

Via zo’n procedure werd in deze zaak geprobeerd een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een winkelpand en het in gebruik nemen ervan als horecagelegenheid, geschorst te krijgen. Als een vergunning wordt verleend dan kan en mag daar gebruik van gemaakt worden, zelfs als er een bezwaarprocedure loopt. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de werking van een besluit namelijk niet. Indien de rechter oordeelt dat de rechtmatigheid van het besluit op voorhand niet vast staat en de verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft, dan wordt het besluit geschorst, doorgaans totdat op het bezwaar zal zijn beslist.

Horecaondernemer A, die zelf al een onherroepelijke vergunning had en was begonnen met het bouwen van zijn eigen horecazaak, met in hetzelfde project ook woon- en winkelruimte, wilde voorkomen dat horecaondernemer B ook al aan de slag zou kunnen gaan, vóórdat er een beslissing op het bezwaar zou zijn genomen. Daarvoor diende de voorlopige voorzieningprocedure; in de bezwaarprocedure wilde ondernemer A uiteraard de opening van de horecazaak van ondernemer B alsnog voorkomen.

Als je de uitspraak leest, denk je lange tijd: “Het gaat de goede kant op voor ondernemer A. Dit besluit zou wel eens geschorst kunnen worden, want het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verleend, zal in de bezwaarprocedure de nodige gebreken in het besluit moeten proberen te herstellen”. Zo concludeert de voorzieningenrechter onder meer dat in het besluit niet is gemotiveerd waarom uitbreiding van de horeca aan het bewuste plein in Kerkdriel voldoet aan de eis van goede ruimtelijke ordening, dat er geen belangenafweging in het besluit is opgenomen, dat van het bestaande beleid werd afgeweken, dat dit beleid ter plaatse juist meer detailhandel en minder horeca toestond en dat detailhandelondersteunende horeca wellicht kon worden toegestaan maar de sluitingstijden tot maar liefst 03.00u op zaterdag daar niet bij passen. Bovendien had ondernemer A een spoedeisend belang volgens de rechter.

Maar dan komt als konijn uit de hoge hoed een opmerkelijke overweging: hoewel de rechter meent dat het besluit niet zonder meer stand zal kunnen houden in de bezwaarprocedure, wordt het besluit tóch niet geschorst en wel vanwege het relativiteitsvereiste.

Dit beginsel is in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen. Hoofdstuk 8, waarin dit artikel dus staat, geldt voor beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de rechtbank een besluit niet zal vernietigen op de grond dat het in strijd is met (kort gezegd) de wet, als degene die daarover klaagt niet wordt beschermd door die geschonden wetsbepaling. Voorbeeld: als tegenover mijn woning in de stad een flat wordt gebouwd die niet voldoet aan de wettelijk vereiste brandcompartimentering, dan leidt dat niet tot vernietiging, omdat mijn belang daardoor niet wordt geschaad. Wordt er naast mijn woning in een rustige buitenwijk een groot winkelcentrum met pick-up point vergund, dan raakt dat mijn belangen wel en kan ik wellicht met succes klagen over bijvoorbeeld afbreuk van woon- en leefklimaat, geluidsoverlast, parkeerproblemen etc.

Let wel, de wetgever heeft de toepassing van het relativiteitsvereiste bewust beperkt tot (hoger) beroepsprocedures. Reden hiervoor is onder meer gelegen in het feit dat de daaraan voorafgaande bezwaarprocedure, die bij het bestuursorgaan zelf wordt doorlopen, aan dat bestuursorgaan de kans biedt om het besluit volledig te heroverwegen, in alle zorgvuldigheid belangen opnieuw af te wegen, beleidsmatige motieven daarbij te betrekken en zodoende een volle toets van het bestreden besluit uit te voeren. De bestuursrechter moet terughoudender zijn en kan bijvoorbeeld bij een belangenafweging van het bestuursorgaan slechts beoordelen of deze de toets der redelijkheid kan doorstaan. De rechter mag niet te veel “op de stoel van het bestuursorgaan gaan zitten”. Bestuursorgaan en betrokken partijen krijgen in de bezwaarprocedure nog een “herkansing”.

Wat de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in deze uitspraak doet, is zeer opvallend. Dan druk ik mij voorzichtig uit. Waar de rechter het relativiteitsvereiste formeel niet toepast, omdat dit simpelweg niet kan bij een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure, grijpt de rechter het feit dat dit beginsel in een latere beroepsprocedure wel aan ondernemer A zou kunnen worden tegengeworpen aan om aan diens belangen minder gewicht toe te kennen en het besluit om die reden niet te schorsen. Volgens de rechter is het ondernemer A kennelijk slechts te doen om de concurrentie. Of daarbij voldoende acht is geslagen op het feit dat diens project ook woning- en winkelruimte omvat, vraag ik me af. Die woningen en winkels zijn na de komst van een volwaardige nabijgelegen horecagelegenheid mogelijk minder makkelijk verkoop- of verhuurbaar, bijvoorbeeld vanwege afbreuk aan het woon- en leefklimaat, parkeerdruk en geluids- en andere hinder. Het zou zomaar kunnen dat de investering van ondernemer A door deze gang van zaken een fikse deuk heeft opgelopen.

Helaas kun je van een uitspraak in een voorlopige voorzieningprocedure niet in beroep. Ondernemer A zal dus de beslissing op bezwaar moeten afwachten. De rechter heeft het bestuursorgaan alvast een voorzet gegeven die alleen nog ingekopt hoeft te worden; hoe de beslissing op bezwaar ook luidt, ondernemer A kan met zijn klachten daarná toch niet meer bij de rechtbank aankloppen, want dan is daar, voilà, het relativiteitsbeginsel. Intussen kan ondernemer B aan het verbouwen slaan en kan de horecagelegenheid open.

Hopelijk vindt deze uitspraak van de voorzieningenrechter geen navolging. Daarmee zou de bezwaarprocedure namelijk indirect een van haar belangrijke functies ontnomen worden: de bestuurlijke heroverweging. Daarin speelt niet alleen het belang van de klager, maar ook het algemeen belang van een goede ruimtelijke ordening een rol. Als alles onder het tapijt van de opgerekte relativiteit zou worden geschoven, blijft daar niet veel meer van over.

mr. Reinier Ensink

mr. Reinier Ensink

Advocaat bestuursrecht bij MARK Advocaten
Ik ben sinds 2007 advocaat bestuursrecht en vooral actief in het omgevingsrecht. Het accent in mijn praktijk ligt al een tijd op het ruimtelijk bestuursrecht (omgevingsrecht, zoals bestemmingsplannen of bouwvergunningen), maar ik ben ook deskundig en inzetbaar op het bestuursrecht in de gehele breedte.
mr. Reinier Ensink
mr. Reinier Ensink

Reageer

1 Reactie op "Concurrent vangt bot in kort geding over vergunning horeca"

Ontvang alerts
avatar
Sorteer op:   meest recent | minst recent
mik2
Gast

goedkoop apparatuur
http://www.horeplaza.nl/

wpDiscuz
SLUIT
CLOSE