Geen huurbescherming bij faillissement één van de huurders

Moeder en dochter huren op eigen naam samen een bedrijfsruimte. Na een aantal wisselingen wordt de bedrijfsruimte overgenomen door een nieuw opgerichte VOF op naam van vader en dochter. De verhuurder zegt de huurovereenkomst op, omdat moeder en dochter het gehuurde niet meer samen gebruiken. Dit verzoek wordt afgewezen. Maar wanneer moeder twee jaar later failliet wordt verklaard wordt de verhuurder in zijn gelijk gesteld. De huurders starten hierop volgend een indeplaatsstellingsprocedure. Insolventierecht advocaat Heleen Ceelen licht het vonnis toe dat in hoger beroep werd uitgesproken door het hof Amsterdam.

Huur bedrijfsruimte wisselend onder verschillende VOF’s
Een dochter en moeder huren een bedrijfsruimte voor hun restaurant. Per datum ondertekening van het huurcontract richten beiden een vennootschap onder firma op. Er volgen een aantal wisselingen. Uiteindelijk wordt de exploitatie van het restaurant overgenomen door een nieuw opgerichte vennootschap onder firma van vader en dochter.

Kort geding tot ontruiming bedrijfsruimte
De verhuurder startte vervolgens een kort geding tot ontruiming van het gehuurde, onder meer omdat moeder en dochter het gehuurde zelf niet meer gebruikten. De ontruiming werd afgewezen. Twee jaar later wordt moeder in staat van faillissement verklaard. Vader en dochter verzoeken de huurder om hun vennootschap onder firma in de plaats te stellen van moeder. Dit verzoek wordt afgewezen, en de verhuurder zegt de huur op grond van artikel 39 Faillissementswet op.

Verhuurders starten indeplaatsstellingsprocedure
De curator van moeder, dochter en vader starten een procedure bij de kantonrechter waarin wordt verzocht hun onderneming in de plaats te stellen als huurder. Ook vorderen zij een verklaring voor recht zodat de huuropzegging geen effect heeft. De kantonrechter wijst de vordering af en bevestigt de huuropzegging. Er volgt een hoger beroep.

Het hof: geen stilzwijgende instemming van verhuurder
In hoger beroep oordeelt het hof dat de verhuurder van de bedrijfsruimte niet stilzwijgend heeft ingestemd met de vennootschap onder firma van vader en dochter als huurder, zoals door hen wordt gesteld. Het hof oordeelt dat contractsoverdracht zowel op grond van de wet (artikel 6:159 lid 1 BW), als op grond van toepasselijke algemene voorwaarden medewerking van de verhuurder vereist.

Rechtsverhouding tussen moeder en dochter ondeelbaar
Ook het argument dat de huuropzegging de dochter (na het faillissement van moeder) niet aangaat, wordt afgewezen. Het hof oordeelt dat niet kan worden gesteld dat moeder en dochter afzonderlijk als huurder kunnen worden gezien. Met het oog op de bedongen hoofdelijke verbondenheid van beiden stelt het hof dat de rechtsverhouding waarin zij tot de verhuurder staan moet worden aangemerkt als een ondeelbare en niet te splitsen rechtsvordering. De verhuur kon op grond van artikel 39 Fw gerechtvaardigd worden opgezegd. Als gevolg van de ondeelbaarheid komt de dochter geen individuele huurbescherming toe.

Uiteindelijke oordeel hof: wel misbruik van bevoegdheid
Toch was daarmee niet alles verloren voor de huurders. Bij de toetsing van het beroep op misbruik van bevoegdheid oordeelt het hof dat het belang van de verhuurder bij beëindiging van de huurovereenkomst (gezien alle overige feiten en omstandigheden) in dit geval niet in verhouding staat tot het belang bij voortzetting van de huur door de dochter. Het hoger beroep slaagt alsnog.

mr. Heleen Ceelen

mr. Heleen Ceelen

Heleen heeft een brede interesse en is werkzaam op het gebied van het ondernemingsrecht, insolventierecht, arbeidsrecht, verbintenissenrecht en incasso.
mr. Heleen Ceelen

Reageer

Wees de eerste met een reactie

Ontvang alerts
avatar
wpDiscuz
SLUIT
CLOSE