Mag een rechter zeggen en doen wat hij wil?

Nederlandse rechters kunnen baat hebben bij een ethische adviescommissie naar Amerikaans voorbeeld. Zo’n commissie kan rechters in twijfelgevallen helpen duidelijk te krijgen wat zij in het dagelijks leven wel en niet mogen zeggen of doen. Tot deze conclusie komt rechter Sietske Dijkstra (rechtbank Noord-Nederland) in haar proefschrift De rechter als evenwichtskunstenaar waarmee ze gister promoveerde.

Regels en voorschriften zijn er meer dan genoeg, stelt Dijkstra. Maar het is niet precies duidelijk hoe de normen en kernwaarden zoals integriteit, waardigheid en vertrouwen in de praktijk moeten worden ingevuld.

Veel regels
Dijkstra onderzocht welke wetten, rechtspraak en leidraden in het spel zijn als er wordt gesproken over de ruimte van de rechter om zijn persoonlijke opvattingen te uiten. En dat zijn er veel. Van de gezaghebbende Bangalore Principles of Judicial Conduct en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), tot de Nederlandse wet en (gedrags)normen die door de Nederlandse beroepsgroep zelf zijn bepaald.

Verschillen
De manier waarop tegen rechters wordt aangekeken, verschilt volgens Dijkstra sterk. Zo ziet het EHRM de rechter nadrukkelijk als individu met de daarbij behorende persoonlijke vrijheden, in beginsel heeft de rechter dezelfde rechten als andere burgers. De Nederlandse wet benadert de rechter weer meer als ambtenaar, en benadrukt de staatsrechtelijke kant van het rechterschap. Soms bijten de regels elkaar: zo mogen rechters volgens de BPJC niet politiek actief zijn, de Nederlandse wet sluit niet uit dat een rechter in het parlement plaatsneemt, en de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties van de rechter ziet dit laatste weer als ongewenst.

Deze verschillen zijn te herleiden tot verschillende manieren waarop tegen de rechter aan wordt gekeken en door de aard en het doel van de verschillende stelsels. De Nederlandse wet en de uitspraken van het EHRM leggen vooral een harde buitengrens vast: wat mag wel en wat mag niet. Het registeren van nevenfuncties is hiervan een voorbeeld, een harde, wettelijke verplichting. De richtlijnen van de beroepsgroep, zoals de eerder genoemde leidraad, hebben – door het formuleren van kernwaarden – vooral tot doel uiting te geven aan waar naar wordt gestreefd. Ze geven aan wat het ideaal van de beroepsgroep is en wat het betekent om een goede rechter te zijn. Zo kan het dus zijn dat bijvoorbeeld politieke betrokkenheid niet verboden is door de wet, maar wel als ongewenst wordt gezien door de beroepsgroep.

Praktijk

Dijkstra schets het beeld van een rechter die aan de ene kant een vrije burger is, aan de andere kant een aan regels gebonden ambtenaar. Tegelijkertijd is hij een vertegenwoordiger van de rechtstaat, rollen die elkaar overlappen. Maar hoe werkt dit in de praktijk?

Dijkstra stelt dat de rechter weet dat hij bepaalde vrijheden heeft, maar ook weet dat hij bij de uitoefening daarvan zijn persoon ondergeschikt moet maken aan zijn ambt – en pas op de plaats moet maken voor hij publiekelijk iets zegt of doet. Zo zal een rechter bijvoorbeeld niet snel op de voorgrond treden met zijn politieke opvattingen omdat bij zijn werk problemen kan opleveren. Hij zet zijn persoonlijke vrijheid dus opzij. De goede ambtsuitoefening krijgt voorrang. Om in de dagelijkse praktijk houvast te bieden moeten algemene begrippen als vertrouwen, integriteit en waardigheid worden ingevuld. Niet met nog meer regels, die zijn er al te veel volgens Dijkstra. Wel kan een voorbeeld genomen worden aan de Verenigde Staten, waar rechters vragen over ethische kwesties voor kunnen leggen aan adviescommissies. De antwoorden van deze commissies zijn openbaar en functioneren als ‘ethische jurisprudentie’ waar naar wordt verwezen in tuchtrechtzaken en wrakingszaken. Zo’n openbaar forum zou ook in Nederland helderheid kunnen bieden als het gaat om zaken over de persoonlijke vrijheid van rechters.

Bron: De Rechtspraak

Reageer

Wees de eerste met een reactie

Ontvang alerts
avatar
wpDiscuz
SLUIT
CLOSE