Benadeling loopbaanontwikkeling door opname ouderschapsverlof

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 23 november 2017 dat in de algemene bewoordingen van artikel 6:1a van de Wet arbeid en zorg (Waz) geen aanknopingspunt is te vinden voor het standpunt van de korpschef, dat het begrip ‘benadelen’ uitsluitend ziet op benadeling in de formele functie van een werknemer.

Voor een restrictie in die zin biedt de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2011/12, 33 107, nr. 3) evenmin steun. De Raad wijst met name op de daarin opgenomen passages, dat de nieuwe richtlijn als nieuw element een verbod bevat op alle vormen van minder gunstige behandeling of ontslag vanwege de aanvraag of opname van ouderschapsverlof, alsmede dat de raamovereenkomst vergt dat de wetgeving – naast een opzegverbod als een werknemer zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt – een regeling bevat die ziet op bescherming tegen minder gunstige behandeling vanwege het geldend maken van een recht op ouderschapsverlof, waarin wordt voorzien met een nieuw artikel 6:1a in de Waz.

Daarnaast wijst de Raad erop dat dit wetsartikel noch de wetsgeschiedenis ruimte laat voor een belangenafweging. De vraag of ten tijde van de beëindiging van de tewerkstelling sprake was van een zwaarwegend organisatiebelang, is gelet daarop niet relevant. Daarbij merkt de Raad op dat het dienstbelang wel kan meewegen bij toekenning van het ouderschapsverlof. Met het verzoek van appellant tot het opnemen van ouderschapsverlof had de korpschef echter al ingestemd, nota bene vóór de aanvang van de werkzaamheden op 1 december 2014. In de daarna ontstane situatie die heeft geleid tot het gesprek van 3 maart 2014, lag het dus op de weg van de korpschef een (andere) oplossing te vinden teneinde de continuïteit in het werk te waarborgen. Dat dit niet mogelijk was vermag de Raad niet in te zien, te minder nu de korpschef ter zitting van de Raad heeft verklaard dat een collega, naast diens eigen werk, de werkzaamheden van appellant er bij heeft genomen.

De korpschef heeft in strijd met artikel 6:1a van de Waz gehandeld en hij had de tijdelijke tewerkstelling van appellant om deze reden niet tussentijds mogen beëindigen. De Raad voegt hieraan toe dat hij ervan uit gaat dat appellant zijn opstelling in deze, anders dan kan voortvloeien uit het gespreksverslag van 3 maart 2014, niet zal worden nagedragen en dat de korpschef ervoor zorgdraagt dat appellant niet verder benadeeld wordt vanwege het geldend maken van het recht op ouderschapsverlof.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2017:4067

Redactie

Redactie

Onze redactie houdt je dagelijks op de hoogte van actuele en relevante juridische ontwikkelingen, uitpraken en nieuws.
Redactie

Reageer

Wees de eerste met een reactie

Ontvang alerts
avatar
SLUIT
CLOSE