Aansprakelijk voor de kosten van andermans begrafenis: wat is een redelijke omvang van deze schadepost?

Helaas is het zo dat er in het dagelijks leven ongelukken gebeuren met dodelijke afloop. Ook is er, gelukkig minder vaak, sprake van moord of doodslag. In welk geval dan ook zal de overledene begraven moeten worden. Of gecremeerd. In vrijwel de meeste gevallen komt de dood van het slachtoffer in dit soort gevallen voor de nabestaanden als een grote verrassing. Uitvaartverzekeringen zijn in veel gevallen bijvoorbeeld nog niet afgesloten. Artikel 6:108 lid 2 BW biedt in deze gevallen uitkomst. Op grond van lid 1 van dit artikel is degene die aansprakelijk is voor het overlijden van een persoon verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud.

Lid 2 van het artikel luidt: “Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.” Met andere woorden: de dader is aansprakelijk voor de uitvaartkosten jegens de nabestaanden van het slachter. Maar wat valt er nu precies onder de ‘kosten van lijkbezorging’? En opent de term ‘omstandigheden van de overledene’ deuren voor té ruime interpretatie? Hoe wordt hier in de rechtspraak mee omgegaan? Allemaal vraagstukken waar het laatste nog niet over gezegd is. Daarom deze blog over dit onderwerp.

Lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 lid 2 BW
De definitie uit de dikke Van Dale van lijkbezorging is “het verzorgen van begrafenissen”. De Wet op de lijkbezorging regelt wat er na overlijden met de stoffelijke overschotten gebeurt. Artikel 1 van de Wet op de lijkbezorging luidt: “Lijkbezorging geschiedt door begraving, crematie of op andere bij of krachtens de wet voorziene wijze.” Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 6:108 lid 2 BW aansluiting heeft willen zoeken met de Wet op de lijkbezorging. Uit de literatuur volgt eveneens dat het begrip ‘lijkbezorging’ gezien kan worden als een verzamelbegrip voor alle handelingen met betrekking tot het geven van een eindbestemming aan een overledene. Het begrip is in ieder geval helder. Maar wat heeft de wetgever bedoeld met de kosten die verbonden zijn aan lijkbezorging?

Wat valt er volgens de wetgever onder de kosten van lijkbezorging?
De wetgever heeft dus aansluiting gezocht met de Wet op de lijkbezorging. De Wet op de lijkbezorging ziet in ieder geval op de volgende aspecten: de kist, opbaring van de overledene, identificatie van de overledene, het begraven of cremeren zelf en de grafsteen. Helaas heeft de wetgever geen duidelijke opsomming gemaakt van wat er nu precies valt onder de kosten van lijkbezorging. Maar dit doet misschien weer recht aan de ruime formulering van de bepaling. Klaarblijkelijk heeft de wetgever beoogd de bepaling zoveel mogelijk aan de interpretatie van de rechter over te laten. We kunnen in ieder geval concluderen dat de wetgever alle kosten die verbonden zijn aan een reguliere uitvaart heeft willen scharen onder artikel 6:108 lid 2 BW.

De jurisprudentie van het hof en de Hoge Raad over de kosten van lijkbezorging
Het hof en de Hoge Raad hebben, ten opzichte van de wetgever, de kosten van lijkbezorging enigszins verruimd. De kosten voor bepaalde Hindoestaanse offerrituelen werden in 1996 door het Hof Den Haag geaccepteerd. Het deed er niet aan af dat deze rituelen tot een jaar na de uitvaart plaatsvonden.

De Hoge Raad heeft in 2005 bepaalt dat naast de kosten van de grafzerk ook de kosten van een gedenksteen zozeer samenhangen met lijkbezorging dat deze in rekening kunnen worden gebracht.
Zeer recentelijk (april 2016) heeft het Hof ’s-Hertogenbosch een interessante uitspraak gedaan, waarin het een scala aan kosten onder de kosten voor lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 lid 2 BW heeft geschaard. Allereerst geeft het hof de volgende definitie aan de kosten van lijkbezorging: “de kosten van handelingen die in een rechtstreeks verband staan met het geven van een eindbestemming – het begraven of cremeren – van de overledene.”

Vervolgens oordeelt het hof dat de volgende kosten in rechtstreeks verband staan met de crematie van het slachtoffer: de bloemen voor de uitvaart, de kosten van de uitvaart, fotolijsten voor de uitvaart, de glazen bol voor het as van het slachtoffer, een vingerafdruk, een zilveren klavertje vier, een vlinder in geelgoud, twee kettingen en ook de reis- en verblijfkosten van de oma, opa en peettante van het slachtoffer. Deze zijn speciaal voor de crematie van het slachtoffer vanuit Zweden overgekomen naar Nederland.
Het lijkt erop dat er steeds meer kosten in aanmerking komen voor de kosten van lijkbezorging. En wat nu te denken van de term ‘naar omstandigheden van de overledene’?

De omstandigheden van de overledene
De wens van het slachtoffer dient richtinggevend te zijn bij vaststelling of de uitvaart in overeenstemming is met de omstandigheden van de overledene. Dit volgt uit artikel 18 Wet op de lijkbezorging. Dit zou je kunnen vaststellen aan de hand van een uiterste wilsbeschikking bijvoorbeeld. Of misschien heeft de overledene ooit uitspraken gedaan over hoe hij of zij de uitvaart het liefst zou willen hebben. Maar aangezien het vaak gaat om onverwachte overlijdensgevallen is dit lastig vast te stellen. Om die reden is het goed om aansluiting te zoeken bij algemene gemiddelden. Maar wat zijn die algemene gemiddelden? Het begrip ‘naar omstandigheden van de overledene’ dient uitgelegd te worden in het licht van artikel 3:12 BW: de wetgever heeft met dit ruime begrip namelijk de beperking gezocht in de redelijkheid en billijkheid. Maar wat is dan precies redelijk?

Stel je voor. Iemand die zeer arm is, rijdt iemand dood die uit een familie komt waarbij uitbundige uitvaarten gebruikelijk zijn. Is die dader dan aansprakelijk voor de aanzienlijk hogere uitvaartkosten? Of stel dat de overledene in het buitenland begraven wil worden. Of dat dit vereist is volgens zijn of haar geloof. Is de dader dan aansprakelijk voor de reiskosten van alle aanwezigen? Wat nu als het slachtoffer minderjarig was? Waarbij uitvaarten vaak van veel ruimere omvang zijn en de kosten dus ook hoger zijn. Is het dan redelijk de dader aan te spreken voor die kosten? Hier is nog veel over te zeggen. Er is aansluiting gezocht met de redelijkheid en billijkheid, maar in hoeverre valt dit te rijmen met een bepaling die enkel spreekt van ‘de omstandigheden van de overledene’? Hopelijk wordt hier in de nabije toekomst meer duidelijkheid over geschept, het is in ieder geval een interessante kwestie.

Over de auteur
Deze blog is een gastbijdrage van Steven Gillis Vrolijk, masterstudent privaatrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarnaast werkt Steven bij een uitvaartonderneming.

Reageer

avatar
  Subscribe  
Ontvang alerts
SLUIT
CLOSE