ADVERTENTIE

 

Strafrecht: terugslaan mag niet

Er is in het strafrecht geen onderwerp waar zoveel een beroep op wordt gedaan en dat zo weinig wordt gehonoreerd als zelfverdediging. In strafrechtelijke termen: noodweer. Iemand wordt aangevallen en slaat terug. Mag dat? In z’n algemeenheid: nee. Je wordt dus gedagvaard als verdachte van mishandeling (of erger). Alleen als het slaan de enige mogelijkheid is geweest om je aan je aanvaller te onttrekken én als je met dat slaan niet verder bent gegaan dan nodig was, zou je een rechter tegen moeten komen die vindt dat het mocht. Dan krijg je dus geen straf voor die mishandeling (of erger). Maar als je ook hard weg had kunnen lopen, had je dat in beginsel moeten doen. Doe je dat onder die omstandigheden niet maar sla je, dan ziet de rechter, voor wie je terecht staat wegens mishandeling, het als eigen rechter spelen en dat mag niet (daarvoor is er nu juist een rechter).

Het gaat dan ook vaak fout
De omstandigheden waaronder je van je afgeslagen hebt, hoef je niet te bewijzen. Wel moeten ze “aannemelijk” worden. Ook hier geldt dus dat er (getuigen)bewijs moet zijn als je een beroep op noodweer wilt doen. Als je in een vechtpartij verzeild bent geraakt en je hebt uit zelfverdediging van je afgeslagen dan is het dus belangrijk om namen en adressen van getuigen te achterhalen. En ook om zo snel mogelijk de verklaringen van die getuigen (notarieel) vast te laten leggen. De strafzaak tegen je kan immers nog wel een half jaar tot een jaar op zich laten wachten en het is maar de vraag wat getuigen zich dan nog weten te herinneren.

Verandering op komst?
Er is, onder druk van de publieke opinie en de politiek, overigens een lichte kentering te bespeuren. Rechters lijken iets meer doordrongen van het lastige parket waarin je terecht kunt komen als je aangevallen wordt en het lijkt erop alsof er íets minder hoge eisen gesteld worden aan het kunnen weglopen.

Zelfverdediging of niet?
Als voorbeeld daarvan kan een uitspraak van de Hoge Raad van 24 september 2013 dienen. Een jongen (die zegt tijdens het uitgaan een klein vuurwapen van iemand afgepakt te hebben en in zijn broekzak te hebben gestopt) wordt, nadat een ruzie ontstaan zou zijn over een meisje, achterna gezeten door een groep van 8 à 9 man. Zo’n vier straten achtervolgen ze hem. Ze komen hem ook achterna de tram in. In de tram haalt hij het pistool tevoorschijn en schiet ermee op een van zijn belagers.

Hij raakt deze in zijn rechterbeen. De conducteur verklaart later dat alle vier deuren van de tram nog open stonden. De Hoge Raad vindt het echter best mogelijk dat onder die omstandigheden toch van een noodweersituatie gesproken kan worden. Dat de deuren nog open stonden is dus niet alles bepalend. Waarschijnlijk – maar zeker weten doen we het niet – heeft meegespeeld dat de jongen al vier straten achtervolgd was en als hij weg was gerend zijn belagers waarschijnlijk wel weer achter hem aangekomen zouden zijn. En hoeveel straten had hij dan nog moeten rennen voordat hij tot een andere manier van het afweren van de aanval over mocht gaan?

Goede voorbereiding is noodzakelijk

Het belangrijkste bij een beroep op noodweer is dat in voldoende mate aan de rechter duidelijk gemaakt kan worden dat je als aangevallen persoon geen kant meer op kon. Dat vereist meer voorbereiding van de strafzitting dan iemand op het eerste gezicht wellicht denkt. Want misschien is er een lichte kentering, het merendeel van de gevallen van een beroep op “zelfverdediging” wordt nog steeds afgewezen.

Voor meer informatie over noodweer of strafrecht in het algemeen kunt u contact met mij opnemen, ik ben lid van de praktijkgroep Strafrecht.

mr. Hans Stegeman

mr. Hans Stegeman

Als advocaat ben ik gespecialiseerd in o.a. strafrecht, erfrecht, civielrecht, contractenrecht en goederenrecht

Deel dit artikel:

Share on linkedin
Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on email
Share on print

ADVERTENTIE

 

TWEETS

 

ADVERTENTIE