24/08/2019 11:33

Het begint met een verkeersboete… en daar blijft het ook bij!

De uitspraken over de dwangsomregeling bij niet-tijdig beslissen in relatie tot verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), volgen elkaar in rap tempo op. Precies een maand geleden deed de rechtbank Midden-Nederland een uitspraak en schreef ik in mijn blog van 11 november jl. dat het misbruik van de Wob in zicht zou kunnen zijn. Die rechtbank bleek een niet-gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Rotterdam uit 2013 te volgen, die nu op 19 november jl. door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is bekrachtigd.

Aanleiding
Het betreft een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over een Wob-verzoek van een vrouw aan wie een verkeersboete was opgelegd. Het gaat te ver en wordt te ingewikkeld om alle besluiten, procedures en correspondentie te bespreken, maar enkele zaken licht ik even uit.

Tegen de opleggen van de verkeersboete stelde de vrouw (hierna: X) administratief beroep in bij de officier van justitie. Vervolgens vroeg ze de CVOM (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie) in een brief, waarvan het onderwerp het woord “bezwaarschrift” bevatte, om toezending van “het complete CJIB-zaakoverzicht”. Dit doet denken aan die zaak waarover de rechtbank Midden-Nederland uitspraak deed, waarbij de Wob-verzoeken werden “verstopt” in lange brieven die op iets anders betrekking hadden of leken te hebben.

Vervolg
De officier van justitie verklaarde het administratief beroep ongegrond en daartegen stelde X beroep in bij de CVOM, wederom met het verzoek om toezending van “het CJIB-zaakoverzicht” en “het volledige dossier”. Inmiddels werd X bijgestaan door twee “juridisch adviseurs”, die ook namens andere cliënten veelvuldig procedeerden tegen verkeersboetes en namens hen dan ook Wob-verzoeken indienden. Daarom vroeg de CVOM om een machtiging aan te leveren waaruit blijkt dat die juridisch adviseurs namens X optraden. Er kwam echter geen deugdelijke machtiging binnen de gestelde termijn, zodat het verzoek niet in behandeling werd genomen. Daar staat weer bezwaar tegen open.

In de hierop volgende correspondentie hebben de juridisch adviseurs van X consequent het verkeerde postadres en faxnummer gebruikt, hebben ze herhaaldelijk Wob-verzoeken ten aanzien van steeds hetzelfde CJIB-dossier ingediend en hebben ze de CVOM telkens in gebreke gesteld omdat niet tijdig op de Wob-verzoeken zou zijn beslist. Het ging al lang niet meer om die verkeersboete, de focus lag volledig op de Wob-verzoeken. Dat waren er inmiddels 6 geworden en de Raad van State heeft maar liefst 2 pagina’s van de uitspraak benut om in kaart te brengen hoe een en ander nu precies in elkaar zat.

Het moge dus duidelijk zijn dat er inmiddels een flinke stroom aan correspondentie was ontstaan die ontcijferd diende te worden en die de raderen op de kantoren van de CVOM aardig deed vastlopen.

Uitkomst
De juridisch adviseurs van X stelden uiteindelijk beroep in tegen het besluit van de minister (die bevoegd was) om het Wob-verzoek niet in behandeling te nemen wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging. Hierdoor kwam de rechtbank aan zet en die kwam tot het oordeel dat sprake was van misbruik van bevoegdheid (als bedoeld in artikel 3:13 BW), te weten 1) de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en 2) de bevoegdheid om “daarop voortbouwende rechtsmiddelen in te stellen”, dus ingebrekestellingen en bezwaar tegen de weigering verzoeken in behandeling te nemen, tegen het niet-tijdig nemen van besluit en tegen besluiten waarbij het verzoek zelf werd geweigerd.

De rechtbank nam het X dan wel haar gemachtigden kwalijk dat zij in deze en haar gemachtigden in andere zaken een onredelijk grote hoeveelheid correspondentie naar de CVOM hebben gestuurd – herinnert u zich de Dordtse “veelschrijver” [link] nog? – en dat die correspondentie enkel bedoeld was om de afhandeling door de CVOM te frustreren en vertragen en zodoende dwangsommen te kunnen incasseren, mede door het consequent gebruiken van verkeerde adresgegevens. De rechtbank acht daarbij relevant dat de juridisch adviseurs een praktijk uitoefenen waarbij zij op basis van “no cure no pay” namens vele cliënten opkomen tegen verkeersboetes en daarbij aanzienlijke aantallen Wob-verzoeken indienen, gevolgd door veelal identieke en op dezelfde dag verzonden ingebrekestellingen in de verschillende zaken.

Deze “juridisch adviseurs” leken er – zoals ik al vaker heb aangehaald – hun werk van te maken om via dergelijke procedures dwangsommen te incasseren, vaak met de afspraak dat die dan aan de adviseurs ten goede komen. De rechtbank verklaarde X wegens misbruik van bevoegdheid niet-ontvankelijk; géén inhoudelijke beoordeling van het beroep dus, het was direct einde verhaal. Hiertegen stelde X hoger beroep in bij de Afdeling.

Hoger beroep
De beroepsgronden over schending van het verdedigingsbeginsel en de toepasselijkheid van artikel 3:13 BW buiten het privaatrecht, zal ik hier onbesproken laten. Waar het namelijk allemaal om gaat is de vraag: “Was hier sprake van misbruik van recht/bevoegdheid?”.

JA, luidt het antwoord volmondig, en daar is de bestuurlijke praktijk erg mee geholpen. Waarom was hier dan sprake van misbruik en welke les kunnen u en ik hieruit trekken?

De Afdeling gaat nog een stapje verder dan de rechtbank in het verwijt aan het adres van de juridisch adviseurs die X had ingeschakeld. De Afdeling constateert zij beroepsmatig veel procedures over verkeersbesluiten en over de Wob hebben gevoerd en dat zij, ondanks het bestaan van de mogelijkheid om op basis van ándere artikelen uit de wet stukken op te vragen in het kader van die procedures, bewust hebben gekozen voor verzoeken op grond van de Wob. In de Algemene wet bestuursrecht en in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zijn artikelen opgenomen die dezelfde mogelijkheid bieden, namelijk om tijdens een beroepsprocedure stukken op te vragen uit het dossier, voor je eigen verdediging.

De Afdeling neemt het hen kwalijk dat ze ondanks – of misschien wel dankzij – hun kennis en ervaring toch hebben gekozen voor Wob-verzoeken terwijl dat dus niet nodig was, maar bovendien dat zij door hun procesgedrag tijdige besluitvorming bewust hebben bemoeilijkt. Ook verwijt de Afdeling hen dat in de maar liefst 6 Wob-verzoeken meermaals om dezelfde documenten is gevraagd en dat enkele verzoeken “verstopt” werden in brieven die op het beroep tegen de verkeersboete betrekking hadden.

Op grond van al die omstandigheden oordeelt de Afdeling dat er geen andere plausibele verklaring kan worden gevonden voor dit gedrag, dan de bedoeling om dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren, ten laste van de publieke kas. Omdat de juridisch adviseurs bovendien met X hadden afgesproken dat zij die bedragen zelf zouden mogen houden, vond de Afdeling dat de juridisch adviseurs zelf gebaat waren bij het uitlokken van die dwangsommen en proceskostenvergoedingen.

De Afdeling is van mening dat ze hierdoor met het indienen van de Wob-verzoeken geen ander doel hadden dan er zelf beter van te worden en dat er dus sprake was van “kade trouw” bij het gebruik van de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en in het verlengde daarvan procedures te voeren. Dit gedrag van de “juridisch adviseurs” wordt X aangerekend, omdat zij hen daartoe had gemachtigd.

Pas dus op en laat u niet verleiden door rooskleurige voorspellingen over “gratis geld” in de vorm van dwangsommen, ga niet in zee met gemachtigden waarvan u twijfelt wat hun intenties zijn en boven alles, besef: de wet kent bestuursorganen en burgers allerlei bevoegdheden toe, maar misbruik wordt bestraft!

Overigens hadden rechtbank en Afdeling nog een steviger waarschuwing af kunnen geven dan “slechts” de niet-ontvankelijkheid wegens misbruik van bevoegdheid. X was hierdoor het betaalde griffierecht kwijt, maar het had nog erger kunnen uitpakken: zij had ook zelf in de proceskosten veroordeeld kunnen worden. In het bestuursrecht gebeurt dit zelden. Wanneer een bestuursorgaan in het ongelijk wordt gesteld, dient zij de proceskosten van wederpartij (volgens een tabel, dus vaste bedragen) te vergoeden, maar als een particulier of ondernemer in beroep ongelijk krijgt, dan blijft het daarbij. Slechts wanneer kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht wordt gemaakt, kan er ruimte zijn voor een proceskostenveroordeling aan de kant van de belanghebbende. Dan gaat het om “verwijtbaar onnodig procederen”.

Ik zou durven stellen dat dit bij misbruik van de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en daar vervolgens over te procederen, aan de orde zou kunnen zijn. Misschien waren rechtbank en Afdeling hier nog coulant en komt X er daarom genadig vanaf, maar wie weet wat de toekomst brengen zal..

mr. Reinier Ensink

mr. Reinier Ensink

Advocaat bestuursrecht bij MARK Advocaten
Ik ben sinds 2007 advocaat bestuursrecht en vooral actief in het omgevingsrecht. Het accent in mijn praktijk ligt al een tijd op het ruimtelijk bestuursrecht (omgevingsrecht, zoals bestemmingsplannen of bouwvergunningen), maar ik ben ook deskundig en inzetbaar op het bestuursrecht in de gehele breedte.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.




SLUIT
CLOSE