20/03/2019 14:50

De motivering door rechters bij voorlopige hechtenis

Na de periode van inverzekeringstelling kan eventueel een periode van voorlopige hechtenis volgen voor een verdachte van een misdrijf. Waar het de officier van justitie is die beslist over wel of geen inverzekeringstelling, kan dit bij voorlopige hechtenis enkel door tussenkomst van de rechter (rechter-commissaris of de raadkamer) worden opgelegd. Een bevel tot voorlopige hechtenis tot aan de terechtzitting kan enkel worden uitgegeven indien er sprake is van een verdachte van een misdrijf zoals omschreven in art. 67 lid 1 Sv. Een uitzondering hierop is wanneer er van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekent is en er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan voor een misdrijf waarop gevangenisstraf staat. Hiervan is sprake indien er kans is op vluchtgevaar, een verdenking van een misdrijf waarop minimaal 12 jaar gevangenisstraf staat, een ernstig geschokte rechtsorde, een dusdanig onderzoeksbelang of recidivegevaar. Voorts mag de rechter ook geen voorlopige hechtenis geven voor langer dan de te verwachten op te leggen straf in de bodemzaak (anticipatiegebod).

Nadat een verdachte van een misdrijf maximaal 15 uur is opgehouden voor verhoor en 6 dagen inverzekeringstelling heeft opgelegd gehad door de officier van justitie, kan de rechter voor maximaal 104 dagen voorlopige hechtenis opleggen voordat de zaak op zitting komt. Deze 104 dagen bestaan uit twee fases: de bewaring (maximaal 14 dagen) en de gevangenhouding (maximaal 30 dagen, welke twee keer verlengd kan worden met maximaal 30 dagen per verlenging). Na de beslissing van de rechter omtrent de gevangenhouding heeft de verdachte drie dagen de tijd om in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof.

Het College voor de Rechten van de Mens
Op 27 maart 2017 verscheen een rapport van het College voor de Rechten van de Mens waarin op basis van ruim 300 dossiers werd vastgesteld dat de beslissingen over de voorlopige hechtenis in Nederland door vier rechtbanken en twee gerechtshoven onvoldoende worden gemotiveerd. Nu voorlopige hechtenis in directe strijd is met het recht op vrijheid en het onschuldpresumptiebeginsel, dient het als een uiterst redmiddel gebruikt te worden (ultimum remedium) en waar minder zware alternatieven voorhanden liggen dienen deze de voorkeur te krijgen (subsidiariteitsbeginsel). Wanneer voorlopige hechtenis toch opgelegd wordt, dient deze volgens nationale (art. 15 Grondwet) en Europese (art. 5 en 6 EVRM) regelgeving wel voldoende gemotiveerd te worden.
Aan deze motivering schort het nog weleens bij de Nederlandse rechtbanken volgens het rapport van het College voor de Rechten van de Mens.

Een van de onderzochte rechtbanken maakte gebruik van een “kruisjesformulier” waarop aangekruist werd indien een verdachte aan de formele voorwaarden van voorlopige hechtenis voldeed. Op een ander formulier stonden standaardteksten die werden gebruikt bij de motivatie van de voorlopige hechtenis. Het College vond dat bij vier van de zes rechtbanken en gerechtshoven die een dergelijk systeem gebruikte het recht van artikel 5 EVRM in het geding was. Voorzitter van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), Michiel de Ridder, benadrukt echter wel dat er geen sprake is van onterechte hechtenis volgens het rapport. “Rechters behandelen elke zaak zeer nauwkeurig, elke beslissing is weloverwogen. Waar het aan schort is dat deze overwegingen niet altijd hun weg helder en volledig naar papier vinden.”

Over de auteur
Deze blog is een bijdrage van mr. Drissen, naamgever van Juridisch Advies Drissen. Zijn kantoor heeft een brede juridische achtergrond en werkervaring in diverse rechtsgebieden waardoor er onder meer geadviseerd en geprocedeerd kan worden op het gebied van het arbeidsrecht, bestuursrecht, contracten- en aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.




SLUIT
CLOSE