ADVERTENTIE

 

Hoge Raad geeft nadere richtlijnen voor de toetsing van de hoogte van bouwleges

Bij de realisatie van grote bouwprojecten lopen de door gemeenten te verlangen bouwleges al gauw in de tonnen. Bij zo grote bedragen rijst al snel de vraag of de door de gemeente te verrichten werkzaamheden het verlangen van zo’n hoog bedrag aan leges wel rechtvaardigen. Het verlangde bedrag aan leges mag immers hooguit kostendekkend zijn.

Indien een belanghebbende, zoals een projectontwikkelaar, daaraan twijfelt, kan hij in dat kader de gemeente verzoeken om een overzicht te verstrekken van de gemaakte raming van de kosten en opbrengsten. Tot het verschaffen van meer specifieke inlichtingen over de kosten en opbrengsten, zoals het aantal bouwaanvragen en de daarbij behorende bouwsommen, is de gemeente echter niet gehouden, zo oordeelde de Hoge Raad in de uitspraken van 4 april 2014. Ook niet indien de heffingsambtenaar van de gemeente over (veel) meer informatie beschikt. De benedengrens is evenwel dat het geraamde bedrag aan legesopbrengsten slechts dan niet aanvaardbaar is indien de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen.

Mogelijkheid tot het heffen van leges
De mogelijkheid tot het heffen van leges is opgenomen in artikel 229 Gemeentewet. Kenmerkend voor het heffen van leges is dat er een rechtstreekse relatie dient te bestaan tussen de door de overheid bewezen dienst en de betaling. Daarbij geldt dat de gemeente met het heffen van leges geen winst mag maken. Uit artikel 229b Gemeentewet volgt namelijk dat legesverordeningen niet zodanig mogen worden vastgesteld dat de geraamde baten daarvan uitgaan boven de geraamde gemeentelijke lasten. De reden voor dit zogenaamde ‘winstverbod’ of deze ‘opbrengstlimiet’ is daarin gelegen dat leges slechts tot doel hebben om gemeenten in staat te stellen de te maken uitgaven vergoed te krijgen. Het behalen van winst past niet bij die doelstelling.

De hoogte van de gevraagde leges wordt berekend aan de hand van het totaal van de geraamde baten van de leges die in een verordening zijn geregeld en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten worden geheven, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. In het geval dat door een gemeente dus verschillende vormen van leges worden gecombineerd in een verordening, mag het totaal aan gevraagde heffingen niet boven de 100% uitgaan (HR 14 augustus 2009, BNB 2009, 276 m.nt. Van Leyenhorst).

Inzicht in kostenraming
In het geval dat een belanghebbende stelt dat de opbrengstlimiet is overschreden, moet de gemeente een overzicht verschaffen van de gemaakte raming die ten grondslag ligt aan de legesverordening. Indien een belanghebbende vervolgens posten van deze raming in twijfel trekt, dan is het aan de heffingsambtenaar van de gemeente om deze twijfel naar vermogen weg te nemen (HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968).

Aan de hand van deze uitspraak oordeelden verschillende gerechtshoven vervolgens dat gemeenten bij een dergelijk beroep van een belanghebbende op controleerbare wijze al hun begrotingsposten moesten doorlichten. Gebeurde dat niet (voldoende), dan werden de legesaanslagen vernietigd en werd de legesverordening onverbindend verklaard (Hof ‘s-Hertogenbosch 16 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV7606, 6 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2252 en 27 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9468 en Hof Den Haag 2 april 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8486).

In de uitspraak van 4 april 2014 oordeelde de Hoge Raad evenwel dat de gerechtshoven daarmee een te zware bewijslast bij de gemeente legden. Er werden, met andere woorden, te zware eisen gesteld aan de raming van het bedrag van de baten die in de gemeentelijke begroting zijn opgenomen en de onderbouwing daarvan. Daarbij achtte de Hoge Raad van belang dat met name een prognose van het aantal bouwaanvragen en de daarbij behorende bouwsommen naar zijn aard met veel onzekerheden is omgeven. Als gevolg daarvan kan bij die prognose geen zekerheid worden verlangd ten aanzien van het te verwachten aantal aanvragen en de bijbehorende bouwsommen.

Daarbij geldt bovendien – zo overwoog de Hoge Raad – dat een gemeente die voorzichtigheid betracht bij het ramen van de legesopbrengsten niet kan worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft ingeschat. In het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet op de voet van artikel 229 lid 1 Gemeentewet kan het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan legesopbrengsten pas dan niet worden aanvaard indien de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen.

Conclusie
De uitspraken van 4 april 2014 betekenen aldus meer rek voor gemeenten om de redelijkheid van de kostenraming die ten grondslag ligt aan de legesverordening aannemelijk te maken. Voor de projectontwikkelaar daarentegen, lijkt het nu lastiger te zijn geworden om succesvol op te komen tegen de hoogte van de verlangde leges. Echter, de eis dat geen winst mag worden gemaakt met het heffen van leges blijft gelden. Indien dus door de projectontwikkelaar wordt gesteld dat de opbrengstlimiet wordt overschreden, blijft de gemeente verplicht om deze twijfel naar vermogen weg te nemen. Dat hoeft echter niet door het overleggen van een overzicht van het aantal bouwaanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Nadere jurisprudentie zal moeten uitwijzen wat ‘naar vermogen twijfel wegnemen’ precies betekent.

mr. Anouk Hofman

mr. Anouk Hofman

Advocaat bestuursrecht en omgevingsrecht at AKD
Anouk Hofman werkt bij AKD in Rotterdam waar zij deel uitmaakt van de vakgroep Overheid en Onderneming. Hier houdt zij zich zowel bezig met het algemeen bestuursrecht als met het omgevingsrecht.

Deel dit artikel:

Share on linkedin
Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on email
Share on print

ADVERTENTIE

 

TWEETS

 

ADVERTENTIE