18/09/2019 14:03

De ketenregeling kan niet omzeild worden!

Op 9 januari jl. heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waar de werkgever de ketenregeling van artikel 7:668a BW heeft geprbeerd te omzeilen. De ketenregeling houdt (tot 1 juli 2015) kort gezegd in dat als meer dan 3 arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van minder dan 3 maanden, de 4e arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit artikel is van driekwartdwingend recht, hetgeen betekent dat alleen bij cao of publiekrechtelijke regeling hiervan afgeweken mag worden.

Feiten
Werkgever en werknemer hebben van 2008 tot 2011 een drietal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. Daarna is tussen hen een vierde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat partijen aanvullende afspraken hebben gemaakt over duur en beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Aan de arbeidsovereenkomst is vervolgens een vaststellingsovereenkomst gehecht op grond waarvan de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen.

In genoemde vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald dat door verlenging van de arbeidsovereenkomst een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan, maar dat de werkgever het contract alleen wilde verlengen indien op voorhand duidelijkheid zou ontstaan over de datum waarop de arbeidsovereenkomst alsnog zou eindigen. Tussen partijen is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden eindigt met ingang van 1 januari 2012. Tot slot is van belang op te merken dat de vaststellingsovereenkomst als zodanig wordt gekwalificeerd ex artikel 7:900 BW. In dit artikel is onder meer bepaald dat een vaststellingsovereenkomst enkel gesloten mag worden ter beëindiging of voorkoming van een onzekerheid of geschil.

In november 2011 roept de werknemer de nietigheid van de overeenkomst in wegens strijd met artikel 7:668a BW, althans stelt dat de vaststellingsovereenkomst in strijd is met de openbare orde en goede zeden (namelijk in strijd met driekwartdwingend recht). Hij vordert loondoorbetaling vanaf 1 januari 2012 omdat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn geëindigd per die datum.

Arrest hof ’s-Hertogenbosch d.d. 30 juli 2013
In tegenstelling tot de kantonrechter is het hof van oordeel dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege is geëindigd op 1 januari 2012. Kort gezegd overweegt het hof het volgende:

  • er is geen sprake van een 4e overeenkomst voor bepaalde tijd. Partijen zijn het erover eens dat de 4e overeenkomst voor onbepaalde duur was. Artikel 7:668a BW is dan ook niet direct van toepassing;
  • de vaststellingsovereenkomst is gesloten ter voorkoming van een (toekomstige) onzekerheid of geschil. Partijen wensten namelijk zekerheid omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en wilden ieder eventueel conflict daarover uitsluiten. Dat sprake zou zijn van strijd met de goede zeden of de openbare orde is onvoldoende gebleken, zo oordeelt het hof.

Hoge Raad
In cassatie staat de vraag centraal of sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd? Ter beantwoording van deze vraag moet gekeken worden naar wat partijen hebben beoogd ten tijde van het sluiten van de 4e overeenkomst en naar de feitelijke uitvoering daarvan. Hierbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Het hof heeft ten onrechte – zo oordeelt de Hoge Raad – uitsluitend gekeken naar de bewoordingen van de 4e overeenkomst en de vaststellingsovereenkomst, waarin werd gesproken over onbepaalde tijd. Het hof heeft onvoldoende waarde gehecht aan de omstandigheid dat tegelijk met het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een vaststellingsovereenkomst is gesloten.

In de tweede plaats heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of de vaststellingsovereenkomst ter voorkoming van een (toekomstige) onzekerheid of geschil mag worden gesloten nu afgeweken wordt van (driekwart)dwingend recht. In artikel 7:902 BW is bepaald dat een vaststellingsovereenkomst mag afwijken van dwingend recht ter beëindiging van een – reeds bestaand – geschil of onzekerheid en niet ter voorkoming daarvan. De Hoge Raad heeft dit deel van het arrest van het hof evenmin in stand gelaten.

De zaak is terug verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden die een uitspraak zal doen over de door partijen ingestelde vorderingen.

Conclusie
Teneinde een overeenkomst te kwalificeren dient niet alleen naar de letterlijke tekst gekeken te worden. De bedoeling van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en de feitelijke uitvoering ervan dient eveneens meegewogen te worden, in samenhang met alle omstandigheden van het geval.
Tevens heeft de Hoge Raad zich duidelijk uitgesproken over artikel 7:902 BW, namelijk dat enkel van (driekwartdwingend of semi-) dwingend recht mag worden afgeweken indien de overeenkomst wordt gesloten teneinde een bestaand geschil of onzekerheid te beëindigen. Een andere opvatting, zo sluit de Hoge Raad zijn overwegingen af, zou het mogelijk maken om bij een vaststellingsovereenkomst de werking van (semi-)dwingend recht op voorhand uit te sluiten en daarmee het semi-dwingende karakter daarvan op ontoelaatbare wijze te ondermijnen.

mr. Femke Schabos

mr. Femke Schabos

Advocaat arbeids-, proces- en verbintenissenrecht bij Vocarius Advocaten
Femke is oprichter van Vocarius Advocaten in Haaren en is gespecialiseerd in het verbintenissen- en arbeidsrecht. In het verleden werkte zij onder andere voor AKD en Holland van Gijzen.
mr. Femke Schabos
mr. Femke Schabos

Recente blogs van mr. Femke Schabos (overzicht)

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.




SLUIT
CLOSE